Dag 4. Tsiribihina River
Na het ontbijt wordt onze bagage op een gereed staande houten kar geladen
die lijkt te zijn weggereden uit een aflevering van de Flinstones.
 |
| Fragment van de "vergunning" |
Voor de boottocht zijn vergunningen vereist en daarom moesten we gisteren
onze paspoorten naar de burgemeester van Miandrivazo brengen. Vandaag
ligt op zijn kantoor een imposant getypt document vol met stempels voor
ons klaar. Het is opgesteld in vijf-voud en moet van niet minder dan vijftien
handtekeningen worden voorzien: vijf van mij, vijf van Rija en vijf van
de Piroguier. Omdat die laatste niet kan lezen of schrijven mag
hij volstaan met twee vingerafdrukken.
Na de administratieve afhandelingen kopen we rieten hoeden
tegen de zon en togen naar de rivier. De Flinstones-mobiel
bezwijkt inmiddels haast onder het gewicht van de bagage en
de balen proviand, de kampeeruitrusting en niet te vergeten,
twee levende kippen. Dit alles wordt door een leger van (ik
heb ze geteld) dertig mensen in onze pirogue geladen. Het lijkt
haast wel alsof we aan de Megatransect expeditie gaan beginnen!
Rondom de boot doen mensen de was in de modderige rivier of
baden er poedelnaakt. Schaamte is de mensen hier vreemd.
Nadat de militaire operatie is volbracht en onze uitgeholde boomstam
is volgeladen kunnen we eindelijk de Tsiribihina rivier afzakken. Het
is een roodbruine, ondiepe maar hard stromende rivier en de boomstam drijft
dan ook met een rap tempo stroomafwaarts. Af en toe helt hij onheilspellend
ver opzij. Het zal toch niet gebeuren dat je omslaat en met je hele hebben
en houden in een hardstromende modderpoel beland. Rija moet hard lachen
om onze bezorgde blikken. Ze zijn nog nooit omgeslagen, zegt hij. En er
gebeurt niets, zolang je maar niet beweegt.
| |
| De Pirogue is klaar voor vertrek |
Boven het water en langs de kanten zie we veel felrode vogels fladderen (Madagascar Red Fody). Ze zijn uitsluitend in deze periode zo mooi
rood uitgedost om zo indruk te maken op de dames. Voor de rest van het
jaar zijn ze gewoon fantasieloos bruin. Buiten nog wat andere vogels is
er eigenlijk niet zo heel veel te zien tijdens de urenlange tocht. Waar
we aanmeren lopen de kinderen uit om ons muisstil te komen bekijken.
Tijdens het nuttigen van de lunch die bestaat uit tomaat, komkommer en
sardines, besluiten we om wat te delen met de kinderen. Ze smullen ervan
en eten alles op, tot op de de botjes van de sardines en de olie uit het
blikje aan toe. Ik bedenk me dat het wel leuk zou zijn als de kids, als
kleine tegenprestatie, een kameleon voor ons zoeken, want die hadden we
tenslotte nog steeds niet gezien. Ik laat Rija hen het voorstel doen.
Het dolle enthousiasme waar ik op reken valt wat tegen. Één
persoon werpt een schuine blik omhoog in een boom en dat was het. Tot
zover de zoektocht.
We zakken verder af stroomafwaarts en ik vraag me ineens af hoe deze
boot eigenlijk ooit weer bij zijn vertrekpunt terug komt. Eenvoudig, zegt
Rija; Mr. Langa, de piroguier, duwt hem terug. Stroomopwaarts,
met een stok. Daar doet hij twee weken over. Tegen de tijd dat onze vakantie
in Madagascar er bijna opzit, is de arme man dus nog steeds onderweg!
De Malagasies beschikken over een ijzeren gestel. Dat bleek
eerder al uit het eten wat op de markten te koop is, maar Rija
is het ultieme bewijs. Terwijl ik soms met afgrijzen kijk naar
de hoopjes ondefinieerbare drab die langs de boot in het bruine
water voorbij drijven, vult hij doodleuk zijn mok met rivierwater.
Om op te drinken!
Tegen de avond wordt het tijd om ons kamp op te slaan en hiervoor meren
we aan op een zandbank midden in de rivier. De zon zakt achter de bergen
en de paarsrode gloed zorgt voor een spectaculaire aanblik. Terwijl Rija
begint met het avondeten richten wij onze tent in, die zeker 50 centimeter
te kort bleek voor ons. Voor het kampvuur verzamelen we hout met mr. Langa.
 |
| Kamperen op een zandbank |
Zodra de zon onder is dienen zich de eerste ongemakken aan in de vorm
van ontelbare springende, vliegende en kruipende insecten. Deze worden
op hun beurt echter weer verdreven door een onverwachte andere vijand;
wind! Deze wakkert steeds meer aan en onze tent gaat meermaals plat tegen
de vlakte. We slikken even bij het idee dat we hier, kilometers ver weg
van de bewoonde wereld, zielsalleen in een gebied zitten dat een maand
geleden nog bezoek heeft gehad van een allesverwoestende cycloon. Maar
Rija merkt koeltjes op dat de wind (die alsmaar harder wordt) zo weer
gaat liggen.
Inmiddels knorren onze magen behoorlijk en we vallen dan ook als hongerige
wolven op het eten aan: Gekookt zebuvlees met groenten. Het smaakt ons
verrukkelijk en het zand erdoorheen nemen we voor lief.
Rija blijkt gelijk te krijgen: de wind is gaan liggen. We strijken neer
bij het kampvuur en staren naar de triljoenen fonkelende sterren. Dit
is volgens ons hoe je Madagascar moet beleven en ik vertel Rija dat dit
een ervaring is om nooit te vergeten. “Vanwege de wind ?”
vraagt hij. Ach ja, voor hem is dit alles dagelijkse kost.
De enige wanklank die avond komt van de kippen, die nog altijd hun gewisse
lot afwachten.
|